Neurofeedback is een soort conditionering, waarbij bij een proefpersoon of patiënt hersengolven (EEG) gemeten worden, die on-line omgezet worden in een signaal dat de patiënt of proefpersoon kan gebruiken om diezelfde hersengolven te beïnvloeden in een gewenste richting. Hoe die persoon dat eventueel voor elkaar krijgt is onbekend; of het daadwerkelijk gebeurt trouwens ook, want dat wordt bijna nooit gerapporteerd; de rapportage betreft vrijwel uitsluitend de klinische of andere functionele effecten van de neurofeedback-training.
Met de bewijsvoering voor de effectiviteit van neurofeedback, met name bij ADHD, blijft het behelpen. Een echte placebo-gecontroleerde, dubbel-blinde studie ontbrak tot voor kort, en misschien nog steeds wel. Dat hangt er vanaf hoe we de recente on-line publicatie (Gevensleven et al.) in het Journal of Child Psychology and Psychiatry beoordelen. In dit bepaald niet obscure tijdschrift vergelijkt een consortium van Duitse onderzoekers twee behandelingen in een kleine 100 kinderen met ADHD, die elk of de ene of de andere behandeling kijgen. De eerste behandeling bestaat uit 36 sessies volgens een neurofeedback-protocol, de andere uit 36 sessies met zogenaamde attentionele-vaardigheden-training. De training in deze controle-conditie kapitaliseert op verbetering in alertheid en reactiesnelheid. Ouders en onderwijzers waren niet geïnformeerd over de behandeling die de kinderen kregen, maar oordeelden niettemin dat verbetering op relevante gedragsparameters (oplettendheid, impuls-controle, beweeglijkheid) systematisch groter was na de neurofeedback-behandeling dan na de attentionele training.
Een probleem met deze studie is de controle-conditie. Het zou goed kunnen dat dit iets is waar een gemiddeld kind met ADHD zich pas in kan ontwikkelen als het eerst op een andere manier effectief behandeld wordt. Dat wordt ook gesuggereerd door het werk van de Zweedse onderzoeker Klingberg, waaruit blijkt dat typische problemen met aandacht en impulsiviteit verbeteren door training die gericht is op het reguleren van alertheid en reactievermogen door andere mechanismen. Daarbij moet gedacht worden aan het vermogen om voortdurend steeds weer nieuwe stukjes informatie op te slaan in het geheugen, en het daarin lang genoeg vast te houden (het zogenaamde werkgeheugen). De gedachte is dat je juist die vaardigheid nodig hebt om, bijvoorbeeld in het dagelijkse leven, in willekeurige en steeds weer wisselende situaties, voldoende langdurig alert en reactief te kunnen zijn.
Een werkelijk valide placebo-controle-behandeling bestaat uit een protocol dat volledig gelijk is aan de echte neurofeedback-procedure, met als enige verschil dat er in de controle-conditie geen relatie bestaat tussen de hersengolven van de patiënt en wat hij of zij on-line aan informatie krijgt teruggekoppeld. Als die vergelijking geen verschil oplevert tussen de echte neurofeedback- en de controle-procedure, dan is de conclusie dat het meten van hersengolven en het al dan niet quasi terugkoppelen van informatie daarover weliswaar effectief kan zijn, maar dat het daarbij niet uitmaakt hoe je het precies doet (dus of de teruggekoppelde informatie ook werkelijk de gemeten hersengolven betreft). Die conclusie zou nogal wat implicaties voor de precieze behandeling hebben.
De in deze studie gebruikte neurofeedback-procedure wijkt nogal af van de standaard-procedure in menig Nederlands neurofeedback-instituut. In het laatste geval wordt vaak eerst een zogenaamd ‘quantitatief EEG’ bepaald, dat vervolgens vergeleken wordt met normatieve waarden uit een data-base. De individueleEEG-parameters die in die vergelijking het duidelijkst afwijken vormen het aangrijpingspunt voor het neurofeedback-protocol dat dan is toegesneden op dat specifieke individu. In de Duitse studie kregen alle kinderen precieze dezelfde neurofeedback-behandeling. Dat doet denken aan de standaard-behandeling met medicatie: ook al kunnen we vermoeden dat aan de problemen van verschillende patiënten verschillende mechanismen ten grondslag, toch beginnen ze allemaal met dezelfde medicatie (bijv. ritalin). Vervolgens zien we dan dat een meerderheid van, maar niet alle patiënten, hier gunstig op reageren. Iets soortgelijks zien we ook terug in deze studie: volgens een door de auteurs gekozen criterium reageert 52 % van de kinderen in de echte neurofeedback-training positief, tegenover 29 % in de controle-conditie. Een mogelijk voordeel van neurofeedback t.o.v. standaard-medicatie dat nogal eens geclaimd wordt, is dat de effecten zouden persisteren na afloop van de behandeling, maar daarover wordt in deze studie niets vermeld.
Een laatste punt is het merkwaardige fenomeen dat (ook in deze studie) er niets gerapporteerd wordt over veranderingen in het hersengolf-mechanisme waarop de patiëntjes getraind worden. In de Duitse studie ging het om een relatieve verlaging van de hoeveelheid theta-golven, en het reguleren van zogenaamde langzame corticale potentialen. De gedachte is dat een verandering in die parameters ten grondslag ligt aan verbeteringen in het gedrag. Als dat laatste inderdaad in bescheiden mate optreedt, zou het nuttig zijn om te weten of het gepaard is gegaan met veranderingen in theta of langzame corticale potentialen. Als dat niet zo is, zou het kunnen dat de training onbedoeld hele andere hersenprocessen beïnvloedt. Dat zou weer implicaties moeten hebben voor de keuze van specifieke training bij toekomstige trials. Kortom, er gaapt nog een behoorlijke kloof tussen ‘evidence-based practice’ en de alledaagse klinische praktijk.
Leon Kenemans