dinsdag 4 mei 2010

‘Cognitive enhancement’ bij gezonde mensen: ook ‘social enhancement’?

‘Sociale cognitie’ is, volgens Wikipedia, de verwerking van informatie die betrekking heeft op het gedrag van soortgenoten. Op dit terrein zijn er een aantal opmerkelijk effecten gerapporteerd van de stof oxytocine, ook wel bekend als het ‘vertrouwenshormoon.’ In zulke experimenten doen proefpersonen sociale spelletjes, doorgaans zowel in een conditie waarin ze eerst neusspray met oxytocine hebben gekregen, als in een waarin dat niet het geval is (placebo).
Een bekend voorbeeld is het zogenaamde ‘trust experiment’. Proefpersonen werd verteld dat ze een bepaald bedrag konden investeren in een zakelijk project van een andere proefpersoon (de ‘trustee’). In principe zou deze investering het drievoudige van de inzet kunnen opleveren, maar de werkelijke opbrengst voor de proefpersoon is daarbij volkomen afhankelijk van de bereidwilligheid van de trustee om een eerlijk deel van de winst met de proefpersoon te delen. In een eerste versie van het experiment namen proefpersonen een aantal keren een investeringsbeslissing, steeds zonder te weten wat eerdere investeringen hadden opgeleverd. De geïnvesteerde bedragen waren hoger na toediening van oxytocine dan in de placebo-conditie.
Werden de proefpersonen door de oxytocine misschien roekelozer? In een tweede versie van het experiment (de loterij) werd een andere groep proefpersonen geconfronteerd met een identiek belonings-schema. Nu werd er echte bij gezegd dat de uiteindelijke winst voor de proefpersoon afhing van de uitkomst van een toevalsproces; er was geen sprake van een ‘trustee’, maar de risico’s waren indentiek aan die in het eerste experiment. Nu was er geen enkel verschil tussen oxytocine en placebo wat betreft de hoogte van de investeringen. De conclusie was dat oxytocine mensen niet roekelozer maakt. Ook was het zo dat ‘trustees’ in het eerste experiment niet bereidwilliger (‘vertrouwenswaardiger’) werden door oxytocine. Dit leidde tot de conclusie dat het niet zo is dat oxytocine mensen meer geneigd maakt om te delen met andere mensen. Het gaat kennelijk echt om een verhoogd vertrouwen in de medemens, of een verminderde weerzin tegen, of anticipatie op, de mogelijkheid om beduveld (‘verraden’) te worden.
In een latere studie kregen proefpersonen na hun investeringsbeslissingen te horen dat maar in de helft van de gevallen de handelspartners geld teruggestort hadden. Toen de proefpersonen daarna weer getest werden, bleek er in het vertrouwenspel in de placebo-conditie een duidelijke afname van de investeringsbereidheid op te treden. Onder oxytocine was dit veel minder het geval (integendeel!), terwijl er in de niet-sociale maar verder identieke risico-variant (de loterij) in geen van beide condities een afname was. De afwijkende conditie lijkt dus de placebo-vertrouwens-conditie te zijn; daarin laten mensen inderdaad een zogenaamde ‘betrayal aversion’ zien, die gevoed wordt door de ongunstige informatie. Bij de niet-sociale variant, alsmede in beide oxytocine-condities, speelt betrayal aversion kennelijk geen rol.
Er is echter nog een andere mogelijke verklaring. De proefpersonen in de loterij beschouwen die procedure misschien als een werkelijk toevalsproces, en latend aarom na een negatief resultaat geen vermindering van investering zien. De slechte pay-off door een trustee wordt echter wel als voorspellend beschouwd voor de volgende pay-off na een nieuwe investering, en leidt daarom wel tot een lagere volgende investering. Het is dan dit korte-termijn leerproces, alsmede de resulterende aanpassing van het investeringsgedrag, dat minder bepalend wordt door oxytocine, of daardoor misschien zelfs wel minder goed werkt.
Dat kan te maken hebben met een ander effect van oxytocine: het reduceert de het signaal in de hersenen dat te maken heeft met leren van je eigen fouten of van negatieve feedback (http://psychofarmacolog.blogspot.com/2009/03/in-je-hoofd-halen.html). Onder placebo was dit signaal veel sterker in de sociale variant dan in de loterij, maar onder oxytocine verdween dit verschil. Verder leidt oxytocine ook tot minder activatie van de amygdala in reactie op feedback in de sociale versie. Deze activatie wordt normaal geassocieerd met negatieve gevoelens. Dit lijkt misschien positief een effect, maar het kan ook leiden tot overmatige toenadering, en daarmee zelfs tot agressief gedrag.
Het is dus de vraag of een dergelijke toename in ‘vertrouwen’ uiteindelijk gunstig is voor het betreffende individu, of elfs voor diens omgeving. Bij de eerder besproken meer typische cognitieve enhancers lijkt dat vanzelfsprekender; maar ook daar zijn overmatige effecten voorstelbaar, bijvoorbeeld in de vorm van ongewenste persisterende herinneringen (http://psychofarmacolog.blogspot.com/2009/12/farmacologische-cognitive-enhancement.html).

Leon Kenemans